Al ruim vijfentwintig jaar lang is Van Gerven aan de slag bij ArcelorMittal. Als CEO Business Division North overziet hij momenteel verschillende Noord-Europese fabrieken van de staalreus. Zowat 18.000 medewerkers heeft hij rechtstreeks onder zich staan, een kleine 5.000 daarvan in de site te Gent.

Wat zijn volgens u de sterktes van de Belgische industrie?
“De sterktes zijn vrij duidelijk, denk ik: ons goed opgeleid personeel, onze grote talenkennis en het feit dat onze mensen dynamisch zijn en graag initiatief nemen. Zeker ook onze ligging: het is misschien niet onze eigen verdienste, maar dat we zo centraal liggen, is zeker een voordeel.”

En de zwaktes?
“De hoge loonlasten natuurlijk. De recente regeringsmaatregelen doen het beste verhopen, maar dan nog is er veel aan te doen. Het feit dat we geen natuurlijke rijkdommen hebben. Onze enorme energiekosten, vergeleken met het buitenland. En zeker ook de administratieve lasten én de files die de laatste jaren alleen maar zijn toegenomen.”

 

We zijn elke dag met die innovatie bezig, we kunnen het ons niet veroorloven om dat niet te doen

 

Hoe erg is het gesteld met die energiekost?
“Het grote probleem is niet zozeer de ruwe kost van elektriciteit, want die is overal in Europa min of meer gelijkaardig, wel de belastingen en netkosten die we moeten betalen. In de buurlanden liggen die 10 à 20% lager. Als u weet dat voor een elektrogalvanisatielijn een vierde van de productiekost naar stroom gaat, dan weet u meteen ook dat dit een argument is wanneer over de toekomst van een productielijn moet beslist worden. Deze fabriek hier (Gent, red.) verbruikt zo’n twee miljoen megawattuur per jaar. Een megawattuur kost ongeveer vijftig à zestig euro, zo weet u meteen ook de bedragen waarover het gaat.”

Op de loonlasten hamert u dan ook voortdurend?
“Natuurlijk, qua loonlast is Gent veruit de duurste site van de complete ArcelorMittal-groep wereldwijd. Let wel, dat is qua brutoloon, netto houdt een Belg niet meer over dan een Duitser of een Fransman.”

Kunnen we dat blijven compenseren door meer efficiëntie?
“Onder meer zo, ja. Maar ook door hogere kwaliteit, een goede investeringspolitiek, de juiste onderhoudsconcepten,…  Het ‘probleem’ hier is dat alle andere bedrijven, met inbegrip van onze concurrenten, daar natuurlijk ook mee bezig zijn en van onze ervaringen leren om de efficiëntiekloof te dichten. We zijn dus verplicht om elke dag aan die voorsprong te blijven werken.”

 

60% van de producten die vandaag in Gent gemaakt worden, bestonden zeven jaar geleden niet

 

Is innoveren een oplossing?
“Ik denk het wel. In Gent heeft ongeveer 10% van het personeel een ingenieursdiploma. Een derde daarvan houdt zich enkel bezig met automatisering, innovatie en IT. Veel mensen hebben een verkeerd beeld van een staalbedrijf: manueel werk gebeurt hier haast niet meer. We beschikken over de meest moderne technologieën in alle afdelingen. We zijn bijvoorbeeld een pionier op het vlak van grootschalige kraanautomatisering.”

Hoe kan die automatisatie helpen?
“Door bijvoorbeeld processen te verbeteren. De toleranties qua formaten die we hier hanteren kunnen we veel beter onder controle houden met machines dan manueel. Dat verschuift het profiel van ons personeel naar hooggeschoolde technici. Automatisering maakt het werk ook veiliger en verhoogt natuurlijk de productiviteit. We zijn elke dag met die innovatie bezig, we kunnen het ons niet veroorloven om dat niet te doen. Om u een idee te geven: 60% van de producten die vandaag in Gent gemaakt worden, bestonden zeven jaar geleden niet. Een mooi voorbeeld daarvan is Fortiform®, een nieuw gamma ultrahogesterktestalen voor de automobielindustrie, dat auto’s lichter, zuiniger en dus beter voor het milieu maakt.”

 

Het klimaat zou er dus allerminst bij gebaat zijn dat wij hier vertrekken, want de ‘schoonste’ bedrijven staan in Europa

 

Desondanks wordt ook de concurrentie almaar groter, door de globalisering.
“Uiteraard, onze concurrenten zitten tegenwoordig evengoed in China, India en Zuid-Korea als in Duitsland of Frankrijk. Het jammere daarvan is dat die concurrentie niet altijd fair is. Sommige landen subsidiëren hun industrie zo sterk dat er geen gelijk speelveld of level playing field meer is. Ook de subsidies van grondstoffen of het beperken van de uitvoer van grondstoffen maakt het ons heel moeilijk. Die dumpingstrategie vind ik eigenlijk nog bedreigender dan onze loonkost.”

Wat valt daar aan te doen?
“Ik denk dat je dit alleen politiek, op Europees niveau kunt aankaarten. Maar ja, slechts de helft van de achtentwintig landen in de EU hebben een staalindustrie, het is dus lang niet voor elk land een even dringend probleem.”

Om het over een andere boeg te gooien: hoe moet de industrie omgaan met het klimaat?
“Wij zijn zeker voorstander van strenge milieunormen, ik heb zelf ook kinderen, ik wil ook dat zij in een propere, veilige wereld opgroeien. Strenge normen zouden ons zelfs een competitief voordeel kunnen opleveren, ware het niet dat ook hier weer dat level playing field ontbreekt. In veel landen buiten Europa is milieu veel minder een issue en wordt er ook minder rekening mee gehouden. De Europese staalindustrie is qua milieu zowat de meest performante ter wereld. Het klimaat zou er dus allerminst bij gebaat zijn dat wij hier vertrekken, want de ‘schoonste’ bedrijven staan in Europa.”

 

Staal is oneindig te recycleren, vandaag wordt 95% gerecycleerd en dat kan met geen enkel ander materiaal

 

Onze industrie is hierin dus een voorbeeld voor de rest?
“Zeker, maar we mogen in onze neiging om de beste leerling van de klas te zijn, ook niet blind zijn voor de consequenties en voor de realiteit. Staal wordt gemaakt met hoogovens, uitgaande van ijzererts, er is geen andere economische manier. Het pure chemische procédé van onze productie is verantwoordelijk voor 75% van onze CO2-uitstoot. Het brandstofverbruik en de thermische verliezen zijn dat maar voor een kwart. Dus onder die 75% gaan we nooit geraken.”

Maar u probeert toch verder die uitstoot te verminderen?
“Natuurlijk! Op vijfentwintig jaar tijd hebben we hier ons energieverbruik per ton geproduceerd staal met dertig procent laten zakken. Qua energie zitten we maar een paar procent boven ‘de perfecte fabriek’. Daarmee behoren we al jarenlang tot de wereldtop op het vlak van energie-efficiëntie. Maar heel grote winsten vallen daar dus niet meer te halen. Er wordt wel nagedacht over compleet nieuwe productietechnieken, maar dat duurt nog zeker tien jaar eer die ontwikkeld en geïmplementeerd kunnen worden. En die zullen enorme investeringen vragen. Innovatieve alternatieven zijn er ook: we hebben de ambitie om in Gent een installatie te bouwen om een gedeelte van ons hoogovengas in biobrandstof om te zetten in  samenwerking met de firma Lanzatech, geraamd op 87 miljoen euro. Als de installatie er komt, zorgen we voor een wereldwijde primeur en een  bescheiden, maar wel belangrijke stap in de CO2-reductie.”

Bent u optimistisch over de toekomst hier?
“Als sommige van die problemen die ik aanhaalde, opgelost geraken… zeker. Zonder industrie heb je geen moderne wereld. Voor infrastructuur, voor bouwwerken is staal onmisbaar. Windmolens: kan je alleen maar met staal maken. Dat auto’s lichter én tegelijk veiliger worden, ligt aan nieuwe eigenschappen die we ons staal kunnen geven. Bovendien heeft bijna geen enkel materiaal zulke goede recyclage-eigenschappen. Staal is oneindig te recycleren, vandaag wordt 95% gerecycleerd en dat kan met geen enkel ander materiaal. De marktvraag is er, we moeten alleen politiek en maatschappelijk een dergelijke industrie willen en er de voorwaarden voor scheppen.”