Sedert hij op 10 december 2013 in Stockholm uit handen van de Zweedse koning de hoogste wetenschappelijke onderscheiding mocht ontvangen, geeft François Englert (binnenkort 83) nauwelijks nog interviews. Maar soms maakt de coryfee van de Université Libre de Bruxelles (ULB) een uitzondering. Samen met een zestigtal andere Nobellaureaten tekende François Englert begin juli present op de jaarlijkse Nobelmeeting in het Duitse Lindau, een feëriek stadje gelegen aan de Bodensee. Een week lang krijgen jonge, beloftevolle onderzoekers van over de hele wereld hier de kans om in een ongedwongen sfeer met hun wetenschappelijke helden te praten – en hen om carrièreadvies te vragen. Op een hete zomermiddag liet Englert ook deze journalist aan zijn terrastafel toe.

Is uw leven sterk veranderd nadat u de Nobelprijs hebt gewonnen?
“Het is vooral veel drukker geworden. Nu, een van de gevolgen is natuurlijk dat ik op dit soort Nobelmeetings wordt uitgenodigd. Hier kom ik graag. Maar ik krijg tegenwoordig zoveel uitnodigingen dat ik inmiddels zeer kieskeurig ben geworden. En voorzichtig. Als de link met het onderzoek en de fysica er niet is, ben ik niet snel geneigd erop in te gaan. Ook hoed ik me voor politiek geladen bijeenkomsten. Daar wil ik me zo ver mogelijk vanaf houden.”

 

Ik heb mijn onderzoek altijd een beetje als een spel gezien, met vraagstukken die je moet oplossen waarna zich een nieuwe uitdaging aandient

 

Komt u nog vaak op de universiteit?
“Ik probeer er nog regelmatig naartoe te gaan, ja. Mijn kantoor is trouwens nog altijd hetzelfde als datgene dat ik kreeg vlak na mijn pensioen (lacht). Ze hebben mij dus geen groter kantoor gegeven. Maar ik ben er tevreden mee. Ik geef niet zoveel om uiterlijk vertoon.”

Luistert het bestuur of de rector nu beter naar u?
“(grinnikt) Ik heb altijd wel het gevoel gehad dat er naar mij geluisterd werd. Maar ik meng me niet zoveel in bestuurszaken of organisatorische kwesties. Zolang ik mijn eigen zin mag doen, ben ik tevreden.”

Onderzoekers worden dezer dagen sterk afgerekend op het aantal artikels dat ze publiceren. Wat vindt u daarvan?
“De publicatiedruk is nefast voor de wetenschap. Het tellen van het aantal publicaties heeft gewoon niks te maken met het kwalitatief beoordelen van onderzoekers. Het resultaat is dat onderzoeken uitgevoerd door verschillende mensen nog eens in stukjes worden geknipt om er meer publicaties uit te halen. Dat is niet de manier waarop je vooruitgang boekt in je onderzoek. Helaas is het tellen van publicaties en de impact van de artikels een schijnbaar objectief meetinstrument om onderzoek te beoordelen. Maar het is natuurlijk volledig misleidend. Ik ben altijd heel voorzichtig geweest met het beoordelen van onderzoekers op basis van hun publicatiestatistieken. Ik waardeerde het veel meer dat ze het essentiële van het niet-esentiële konden onderscheiden, en dat ze hun focus daaraan aanpasten. Ook wij hebben maar 24 uur in één dag (lacht). En je moet vooral niet té veel willen werken.”

 

Er bestaat geen universele regel die vertelt wat je moet doen om een succesvol wetenschapper te worden. Iedereen moet vooral zijn eigen weg zoeken

 

Waar werkt u momenteel aan?
“Ik werk momenteel niet zo hard, maar ik denk wel aan een paar problemen in de natuurkunde. Aan inflatie, bijvoorbeeld, de exponentiële uitzetting vlak na de geboorte van ons universum. Ik denk nog altijd dat kwantumgravitatie hier een antwoord op kan bieden. Een kwantumfluctuatie kan aanleiding gegeven hebben tot inflatie. Daarvan kunnen we binnenkort misschien zwaartekrachtgolven als bewijs terugvinden.”

Theoretisch natuurkundigen zoals u hebben vaak het imago van eenzame genieën die dag in dag uit met potlood en papier aan de slag zijn. Koestert u dat ietwat romantische beeld?
“Het klopt wel dat theoretisch werk, ook vandaag nog trouwens, vaak individueel gebeurt, ja. Maar eenzaam zou ik mezelf niet direct noemen. Wel werk ik nog hoofdzakelijk met potlood en papier. De romantiek die je beschrijft begrijp ik niet zo goed. Ik heb gewoon altijd veel plezier beleefd aan mijn onderzoek. Misschien komt dat doordat ik het altijd een beetje als een spel heb gezien, met vraagstukken die je moet oplossen waarna zich een nieuwe uitdaging aandient. Ook de schoonheid van de complexe vergelijkingen, de logica erachter en de wiskundige samenhang kan ik wel waarderen. Dat verklaart trouwens waarom veel natuurkundigen ook erg geïnteresseerd zijn in kunst en muziek.”

U kunt zelf terugblikken op een bijzondere carrière. Welk advies geeft u aan jonge onderzoekers opdat ze ook succes kunnen oogsten?
“Ik probeer eigenlijk nooit iemand advies te geven. Er bestaat immers geen universele regel die vertelt wat je moet doen en hoe je je moet gedragen om een succesvol wetenschapper te worden. Het beste wat ik kan vertellen is dat iedereen vooral zijn eigen weg moet zoeken. Wat voor de ene onderzoeker nuttige raad is, werkt bij de andere misschien averechts. Wel wil ik meegeven dat je je als onderzoeker best zoveel mogelijk concentreert op wat je zelf essentieel vindt – en niet wat je overste of collega’s belangrijk vinden. En zorg ervoor dat je voldoende tijd steekt in dat essentiële luik van je onderzoek. Vandaag spenderen onderzoekers hun tijd nog te veel aan het meedingen naar grants en andere bronnen van financiering. Ik weet wel dat dat allemaal noodzakelijk is, maar je moet jezelf behoeden dat je niet in een administratieve mallemolen terecht komt.”